Ik zag haar aankomen maar wist op voorhand al dat ik niet op tijd meer weg kon komen. Ik stond namelijk op mijn klompen tussen de planten in de voortuin onkruid te schoffelen. En als ik met dezelfde snelheid als waarmee zij naderderde de tuin had moeten verlaten, dan was alles onder druk van maat zevenenveertig platgestampt en had ik echt een probleem.

Een probleem omdat ik nog in mijn proeftijd liep want ik was namelijk nèt drie dagen met pensioen. In het voorkomende geval had mijn echtgenote mij waarschijnlijk bedankt voor bewezen diensten en verbannen naar één of andere huishoudklus met minder risico’s: stofzuigen of poetsen. Dan voelde ik toch meer voor de vrijheid van de tuin inclusief de aanwezigheid van deze persona-non-grata.

Ik was dus te laat en bereidde me op het ergste voor. Ik heb namelijk een enorme hekel aan mijn bemoeizuchtige buurvrouw-van-vijf-huizen verderop.

‘Morgen buurman, u bent al vroeg productief. Daar moet uw vrouw toch wel heel blij mee zijn. Met zo’n productieve man.’

Die stem, verschrikkelijk. Ik keek quasi onverschillig op. ‘O, u bent het,’ zei ik zuinigjes.
‘Ja, ik ben het.’

Ze trok een lach waarbij ik me in de film “de exorcist” deel vijf waande waarbij het hoofd van de met de duivel bezeten hoofdpersoon tien keer om zijn as draaide. Zoiets.
‘U bent de tuin aan het doen?’

‘Lijkt er wel op hè?’, antwoordde ik opnieuw zo goedkoop mogelijk.
‘Nou, nu u het zo zegt lijkt het er inderdaad wel op.’
‘Fijn.’ Ik schoffelde door.

‘Heeft u geen baan meer of zo?’, kraste ze.
‘Hoezo?’
‘Ik zie u de laatste tijd heel vaak bij huis.’
‘Dat klopt, ik woon hier.’
‘Dat snap ik’, zei ze. ‘Ik bedoel dat u hele dagen thuis bent.’
‘Ik ben hele dagen aan het werk, buurvrouw.’

Ze liet het onderwerp varen.

‘U kunt het beste de uitgebloeide bloemen van de margrietjes afknippen’, adviseerde ze terwijl ze met haar hand door de plant schoof. Hij stond aan de rand. Ik keek haar een momentje aan.

‘Heeft u met uw hand aan de margrietjes gezeten?’, vroeg ik ietwat agressief.
‘Ja, u moet die uitgebloeide knoppen er uithalen.’ Ze bukte zich en knipte er één met haar vingers van de steel.

‘Stop, STOP, STOP, NIET DOEN, NIET DOEN’, schreeuwde ik.
‘Hoezo ? Wat is er?’, vroeg ze geschrokken.

‘Ik heb er net gif opgespoten. Dat ding zit onder een agressieve uitheemse bladluis. Laat uw hand eens zien?’

Ze was nu echt geschrokken en stak haar hand voorzichtig in mijn richting.

‘Ik zie het al. Lekker dan. Het kan gaan irriteren, jeuken en dat duurt dan een dag of drie. En er is volgens de dokter niets aan te doen. U kunt de ellende enigszins beperken door vooral binnen te blijven, zonlicht is funest, en het beste kunt u hem in een bak koud water steken.’

‘Ik zie er niks aan’, zei ze terwijl ze haar hand grondig inspecteerde.
‘Dat klopt, dat is de ellende met die verrekte luis, je ziet er niks aan maar doet wel zijn vernietigende werk. Doe nou maar wat ik zeg, dat beperkt de gevolgen enigszins.’

‘Meent u dat nou echt?’
Ik knikte.
Ze keek nog een keer naar haar hand, draaide zich om en liep, terwijl ze haar getroffen hand met haar gezonde hand ondersteunde, terug naar huis.

Ik verwachtte komende tijd geen last meer van deze ingeluisde buuf te ondervinden.

Bart

Copyright Brompot augustus 2017.

Powered by WPeMatico

Share

Related Post

Close
Please support the site
By clicking any of these buttons you help our site to get better